Jef & Herlinde De Vriese
 

'Gods Woord
naar harten en huizen van mensen'

 

Ons beste advies    :   Lees de Bijbel, bid elke dag

Welkom op onze site!

Artikelen

Steun ons werk

 

Kop

Behandeling van een klacht van ongewenste intimiteit in pastoraal werk Artikel in pdf


Jef De Vriese

Wie pastoraal werk verricht wordt geconfronteerd met de moeiten en zonden van anderen, maar ook met zijn eigen nood, begeerten en beperkingen. Normaal blijft de persoonlijke problematiek van de counselor op de achtergrond en heeft hij voldoende persoonlijke stabiliteit bereikt om zinvol bij te dragen aan het groeiproces van de confident. Helaas komt het ook in pastorale situaties voor dat een counselor een confident misbruik ten gunste van zijn eigen behoeften.
Alhoewel ethische codes in de hulpverlening en de christelijke bediening seksueel contact en seksuele insinuaties, verbieden, worden sommige pastorale werkers toch daders van seksueel misbuik. In een christelijke gemeenschap wordt dit als ongewenst en soms zelfs onmogelijk geacht (‘Wij zijn toch christenen!’). Indien het toch gebeurt, heerst verwarring, onbegrip en pijn. Mensen die omwille van hun positie en inzet vertrouwen genieten moeten door de anderen plots als dader behandeld worden, wat een hele omschakeling vergt in hun houding en denken tegenover de pastor. Men wordt overspoeld met gedachten over de gevolgen voor de pastor, de gemeente, de organisatie, etcetera. De risico’s zijn groot, waardoor druk ontstaat voor een doofpotoperatie of een snelle afhandeling. Het slachtoffer, dat het zwijgen wordt opgelegd doordat een klacht niet ernstig wordt genomen of onzorgvuldig wordt behandeld, blijft in de kou staan. Maar ook de dader en de gemeenschap zijn uiteindelijk niet gediend.
Dit artikel beschrijft de kenmerken van counselors en mogelijke slachtoffers die een risico lopen op ongewenste intimiteit in het pastoraat. Vervolgens wordt ingegaan op de ontvankelijkheid van een klacht en de procedure die in een plaatselijke gemeente gevolgd kunnen worden om deze klacht te behandelen.

Kwetsbare counselors
Een aantal factoren kunnen bijdragen tot een ongezonde focus op de eigen behoeften aan aandacht en emotionele vervulling, die kan ontaarden in ongewenste intimiteiten met de confident. Pastoraal verantwoordelijken verzeilen gemakkelijk in een positie waarin van hen verwacht dat ze alles onder controle hebben. Ze worden op een voetstuk geplaatst of gaan daar zelf staan. De afstand tussen hen en de anderen in de christelijke gemeenschap wordt door hun functie bevorderd en in stand gehouden. Isolatie en eenzaamheid zijn het gevolg. Counselors zoeken soms ongewenste emotionele nabijheid in pastorale relaties.
Ook bij wie bang is voor nabije relaties omwille van eigen innerlijke pijn, negatieve ervaringen uit het verleden (bijvoorbeeld zelf misbruikt of mishandeld), angst voor kwetsbaarheid, enzovoorts, kan pastoraat een vervangingsmiddel zijn voor gewone relaties. Gecombineerd met de machtspositie van de counselor kan dit ontaarden in het misbruiken van de confident voor het eigen emotioneel welbevinden. De identiteit van de counselor en zijn levensvervulling is dan afhankelijk geworden van zijn pastorale relaties. Het is ook mogelijk dat hij in pastorale relaties bevestiging zoekt die in de kindertijd niet gegeven werd en die hij ook nu nergens anders ontvangt.
Normale vriendschappen worden door een pastorale taak vaak onmogelijk gemaakt. Een pastorale relatie is geen vriendschapsrelatie. In pastoraat kan men andere dingen zeggen en doen dan in een vriendschapsrelatie. Pastoraat houdt een zekere afstand die in vriendschap ongewenst is. Bij pastoraat ligt het accent op een werkrelatie, waarin - al dan niet professioneel, afhankelijk van de context – op gestructureerde wijze gewerkt wordt, terwijl bij vriendschap de onderlinge relatie belangrijker is. Wanneer vriendschap overgaat naar pastoraat, wat in een plaatselijke gemeente vaak het geval is, moeten er duidelijke werkafspraken gemaakt worden en wordt de relatie opnieuw gedefinieerd. Supervisie en het betrekken van anderen in de begeleiding is dan wenselijk. Het is niet goed dat de belangen van vriendschap en pastoraat door elkaar spelen.
Wie in een pastorale rol zit, kan ook moeite hebben om gewone vriendschappen op te bouwen. Pastoraat kan ook een surrogaatoplossing zijn voor eenzaamheid. Misschien mist een counselor de relationele nabijheid van vrienden die bijdraagt tot levensvervulling. Dit gemis kan de behoefte aan relationele intimiteit zodanig beïnvloeden dat het mogelijk op een ongezonde wijze in het pastoraat terecht komt: relationele nabijheid zoeken in intieme gesprekken met de confident, zonder dat men zich zelf persoonlijk hoeft te geven. Indien deze eenzijdigheid gericht wordt op de vervulling van de eigen behoefte, loert machtsmisbruik en ongewenste intimiteit om de hoek.
Gewone vriendschappen kunnen ook verwaarloosd worden door werkdruk. Opoffering van tijd ten voordele van de bediening maakt het investeren in vriendschappen moeilijker. Indien de pastoraal werker bovendien niet onder supervisie staat en er geen inzage is van anderen in zijn tijdsbesteding en de motieven waarmee hij werkt, mist hij de nodige feedback en correctie die binnen vriendschapsrelaties (meestal ongestructureerd) en supervisie (gestructureerd en doelgericht) werkzaam is.
Sommige hulpverleners voelen een verantwoordelijkheid voor de confident die niet strookt met een professionele aanpak. Het doel van een begeleiding is dat de confident leert zelfstandig afhankelijk worden van God. Indien de hulpverlener voortdurend de redder in nood speelt die de behoeften van de confident vervult, wordt die confident op een verkeerde wijze afhankelijk van de hulpverlener. Zo ontstaan ongezonde emotionele banden en ongewenste afhankelijkheid. De confident leert niet hoe hij in de toekomst zelfstandig met God en zijn noden kan leven en blijft afhankelijk. Over een dergelijke afhankelijkheid zijn nogal wat confidenten vol lof. Zij voelen immers dat iemand om hen geeft. Indien de hulpverlener gevoelig is voor dergelijke lof en aandacht van de confident kan hij meegesleept worden in een val die hem openstelt voor nog meer ongewenste emotionele intimiteit en later misschien seksuele intimiteit.
Counselors doen er, indien zij getrouwd zijn, goed aan hun eigen huwelijk in de gaten te houden en er te streven naar blijvende groei en intimiteit. Betrokkenheid in een pastorale relatie die ‘klikt’, kan een gemeenschappelijkheidervaring opwekken waarin men het gevoel heeft samen op weg te gaan in intieme levensproblemen. Mogelijk groeit er zo wederzijdse emotionele afhankelijkheid tussen counselor en confident. Een pastoraal gesprek wordt zo een moment van erkenning, veiligheid, een warm gevoel, en emotionele opwinding waarin verliefdheid getriggerd en gekoesterd kan worden.
Counselors die geen kader hebben waarin ze verantwoording afleggen staan zwak. Teamwerk en supervisie helpen de counselor zijn pastoraat en houding daarin regelmatig onder de loep te nemen en te corrigeren. Tot slot moet vermeld worden dat counselors die aanraking in het pastoraat toelaten - wat altijd het risico op seksuele connotatie mogelijk maakt - kwetsbaar zijn. In de gemeente kan men best geen confidenten van het andere geslacht begeleiden. 1

Kwetsbare confidenten
Het feit dat iemand hulp zoekt bij een counselor betekent dat hij in zijn onmiddellijke omgeving geen relatie heeft waarbinnen zijn probleem een zinvolle plaats krijgt en op een bevredigende wijze opgevangen wordt. Veel confidenten missen mensen om hen heen die de nodige steun verlenen en kampen ook zelf met gebrekkige relationele vaardigheden. Er zijn er die in hun emotionele leegte op zoek zijn naar warmte, geborgenheid, aanvaarding, meeleven en bescherming. Traumatische ervaringen hebben mogelijk een ‘bodemloze put’ van aandacht zoeken gecreëerd en mogelijk heeft de confident niet geleerd om te gaan met grenzen. Zoeken naar aandacht (wat niet noodzakelijk negatief hoeft te zijn) en het gebrekkig kunnen hanteren van grenzen leidt gemakkelijk tot grensoverschrijdend functioneren op emotioneel, geestelijk of lichamelijk vlak. Er moet dus aandacht besteed worden aan de rol van vroegere negatieve ervaringen en welke mogelijkheden de confident heeft om in de daaruit voortvloeiende behoeften op een gezonde wijze te voorzien.
Die behoeften, onvermogen tot het leggen van relaties of afwezigheid van een degelijk sociaal netwerk maken confident gevoelig voor daden van de hulpverlener die zorg, bescherming en geborgenheid communiceren. De confident zit in een afhankelijkheidspositie en is gevoelig voor leiding. De hulpverlener geniet vertrouwen op grond van zijn functie. Het slachtoffer verwacht geen kwaad, maar de machtspositie van de counselor maakt mogelijk dat de confident gemanipuleerd wordt. Zeker indien de confident geen kan grenzen aangeven, niet nee kan zeggen of niet kan weigeren, en de hulpverleningsrelatie ongezonde intimiteit heeft opgebouwd, gaat de confident de counselor blind vertrouwen. Indien de confident de pastor als perfecte partner bewondert, wordt mogelijk een surrogaatpartnerschap aangegaan. De confident geeft steeds meer bloot van zijn eigen verhaal en wordt daardoor nog meer kwetsbaar, manipuleerbaar en stuurbaar. Mogelijk raakt hij gevangen in de vertrouwelijkheid, want niemand behalve de counselor is op de hoogte, zodat de privacy isoleert in plaats van te beschermen. Het uiten van emotie, etcetera, wordt door de pastor mogelijke als uitnodiging geïnterpreteerd. De cirkel is rond: een kwetsbare confident ontmoet een kwetsbare counselor.
Niet iedereen die te maken heeft met ongewenste intimiteiten hoeft de oorzaak te zoeken in één of andere nood of behoefte in zichzelf. Een dader is altijd verantwoordelijk voor zijn gedrag en handelt ook grensoverschrijdend bij hulpvragers die niet noodzakelijk in de ‘kwetsbare’ groep vallen. Hoe dan ook, degene die geconfronteerd wordt met ongewenste intimiteiten moet een kanaal in de gemeente hebben waar een klacht aangekaart kan worden zonder dat meteen schuld, verantwoordelijkheid en een verklaring van het gedrag van de vermeende dader gezocht wordt in een vermeende behoefte van een confident.

Een klacht wordt ingediend
Een klacht indienen is moeilijk. Slachtoffers voelen zich meestal zelf schuldig. Wie zal hen geloven? Wat zijn de gevolgen wanneer meerdere mensen op de hoogte zijn? Wordt er dan geroddeld of gestigmatiseerd? Volgt er veroordeling door de gezagshebbers? En wie garandeert dat die gezagshebbers te vertrouwen zijn gezien het feit dat de dader in zijn gezagsfunctie met al zijn vriendelijkheid ook niet te vertrouwen was? Indien de gezagsdragers die de zaak moeten behandelen mede-oudsten in de gemeente, collega’s of vrienden zijn van de dader, komt er dan een eerlijk ‘proces’? Overeenkomstig 1 Kor. 6:1-6 moet binnen de christelijke gemeenschap een bindende uitspraak gedaan worden. In dit artikel verwijzen de begrippen rechterlijk, rechtsgeding, rechtspraak, proces, enzovoorts, naar procedures die aanwezig zouden moeten zijn binnen de christelijke gemeente. Er wordt niet ingegaan op de mogelijke noodzaak van juridische stappen naar de overheid.
Gezagsdragers moeten een klacht altijd ernstig nemen, ook indien de aangeklaagde een goede bekende is waarvan men zich helemaal niet kan voorstellen dat hij dader is. Dat iemand een onaangetaste reputatie heeft, is geen garantie dat het niet mis kan gaan. Vaak heeft de omgeving niet in de gaten dat iemand moeite heeft met seks. Seksverslaving gaat, net als elke vorm van verslaving, juist gepaard met ontkenning, vermijden van openbaarwording, geheim gedrag, leugen, etc. Daders zijn experts in het bedekken van hun acties.
Anderzijds moet men ook voorzichtig handelen. Het is niet onmogelijk dat een vermeend slachtoffer een vermeende dader onterecht beschuldigd om hem in een negatief daglicht te plaatsen en hem bewust schade toe te brengen. Het komt voor dat een (ex)partner van een confident een valse klacht tegen een pastor indient uit wraak voor een scheiding die zijn vrouw heeft aangevraagd en waarvoor de pastor of andere vrienden en begeleiders medeverantwoordelijk wordt gesteld. Ook kunnen incestslachtoffers onschuldig bedoelde uitspraken of handelingen van een counselor seksueel interpreteren, zonder dat er enige sprake is van seksueel gedrag of seksuele intenties. En wat te denken van vermeende herinneringen aan misbruik die in therapie ‘uit het onbewuste’ naar boven komen? Zijn deze herinneringen betrouwbaar? Hoe dit toetsen? Dit zijn allemaal vragen die in dit artikel niet behandeld worden, maar wel een rol kunnen spelen.
Elke klacht moet ernstig onderzocht worden, ook als die onwaarschijnlijk klinkt. Slachtoffers worden gemakkelijk geïntimideerd of het zwijgen opgelegd. Dit moet voorkomen worden. Een degelijk onderzoek naar de ontvankelijkheid van de klacht is het minste wat moet gebeuren. Vanaf het begin moet rekening gehouden worden met de belangen van slachtoffer, potentiële dader en gemeente, zonder dat het ene belang aan het andere wordt opgeofferd.

De vermeende dader confronteren
Wie een potentiële dader confronteert, moet zich goed voorbereiden om een duidelijk omschreven klacht zakelijk te formuleren en een gesprek aan te gaan zonder zich te verdedigen of in een machtsstrijd terecht te komen. Hij moet zich niet te laten leiden door mogelijke vriendschaps- of collegiale belangen, maar deze relaties wel gebruiken om vertrouwen te krijgen en geloof in een aanpak van het probleem dat tot eer van God is, te communiceren. Hij moet bereid zijn agressie te ondergaan (boosheid, verwijt van gebrek aan vertrouwen, etcetera) en samen met het verwoorden van de klacht ook de mogelijkheid tot herstel aan te bieden.
Men kan het best beginnen met een algemene formulering van de klacht (bijvoorbeeld: iemand heeft een klacht neergelegd betreffende ongewenste intimiteit in het pastoraat. Wat is er volgens u gaande? Wat wilt u ons bekend maken over een mogelijk slachtoffer in uw pastoraat en wat u gedaan hebt). Dit geeft de vermeende dader de mogelijkheid zelf één en ander aan het licht te brengen. Niet meteen de naam en het specifiek misbruik noemen, opent een kans om eventueel andere informatie te krijgen en andere slachtoffers op te sporen. Onvolledige bekentenissen of ernstige verschillen tussen de versie van de dader en van het slachtoffer zijn een aanwijzing van dieperliggende problemen bij de dader of bij het slachtoffer.
Een klacht maakt iemand nog niet schuldig. 2 Een klacht moet eerst in een rechtsgeding beoordeeld worden. De Bijbel geeft aan dat een klacht pas aangenomen kan worden indien er twee of drie getuigen zijn (1 Tim. 5:19-20, Matt. 18:15-17, 2 Kor. 13:1). Bij ongewenste seksuele intimiteiten zijn getuigen een probleem. Een dader voorkomt immers dat er getuigen zijn. De klacht kan moeilijk geverifieerd worden. Een slachtoffer zit wat dat betreft in een zwakke positie. Het woord van iemand die emotioneel overstuur is en pastoraat nodig heeft staat tegenover het woord van een gerespecteerde pastor, en dit zonder concrete bewijzen. Schuldgevoelens en angst voor stigmatisatie en bedreigingen verhinderen dat een slachtoffer een klacht neerlegt. Wanneer vindt men twee of drie slachtoffers die een klacht formuleren of wanneer vindt een slachtoffer getuigen die de klacht willen ondersteunen? En hoeveel zwakker is een onmondig kind? Het moge duidelijk zijn dat de leiding van de gemeente een grote verantwoordelijkheid heeft om de zwakke maximaal te beschermen en een vermeende dader aan een zeer grondig onderzoek te onderwerpen.
Indien de klacht wordt ontkend, moet deze dus toch pastoraal onderzocht worden. Mattheüs 18:15-17 kan gelden als voorbeeld van een procedure waarin een probleem tussen twee personen aangepakt kan worden. 3 Ook moet beseft worden dat de klager, zelfs indien de klacht onterecht zou zijn, door zijn klacht een nood of probleem uitdrukt en dat hij zorg behoeft. Met de vermeende dader moet pastoraal ingegaan worden op zijn omgang met het andere geslacht in het pastoraat (ook als hij zich van geen kwaad bewust is), de wijze waarop de (eventueel onterechte) klacht zijn pastoraal functioneren beïnvloedt, enzovoorts. Er moet dus een procedure gevolgd worden die enerzijds de pastorale zorg opneemt voor klager én vermeende dader en die tegelijkertijd onderzoekt of de klacht ontvankelijk verklaard kan worden voor behandeling in een gemeentelijke rechtszaak.
Indien de vermeende dader ontkent, ontstaat er in de gemeente een groot probleem. Gesprekken met de aangeklaagde counselor, het opvangen van symptomen van misbruik bij het slachtoffer en eventuele klachten die uit de gemeente komen (nu of uit de geschiedenis) kunnen mee helpen om een besluit te nemen omtrent de ontvankelijkheid van de klacht. In dit artikel wordt niet ingegaan op de behandeling van de klacht indien de vermeende dader ontkent. Indien de dader bekent, moet het onderzoek in de gemeente vaststellen wat de schuld is, hoe aan herstel gewerkt kan worden, welke de gevolgen zijn voor de dader, en welke tegemoetkoming aan het slachtoffer gegeven moet worden. Ook gaat men na of dit een éénmalig recent probleem is, of dat de counselor een geschiedenis heeft van seksuele problemen, niet alleen misbruik, maar ook pornografie, zelfbevrediging , seksuele fantasieën, seksuele problemen in het huwelijk, etcetera.

Basisprincipes
Dit artikel beperkt zich tot de behandeling van een gerechtvaardigde klacht in het kader van een plaatselijke gemeente. Het gewenste beleid kan samengevat worden in twee principes: (1) maximale bescherming van het slachtoffer en vermijden van eventuele risico’s met andere potentiële slachtoffers; (2) maximale pastorale zorg en praktische steun voor de dader, zijn partner, zijn gezin en andere betrokkenen.

Vragen over de omstandigheden van de bekentenis
Het baart extra zorgen indien de feiten noodgedwongen bekendgemaakt zijn. Iemand die anderen over de schouder mee laat kijken en zich corrigeerbaar opstelt, neemt zelf initiatief om mee te delen dat iets misging. Komt de dader over als iemand die in de fout is gegaan en herstel zoekt, of als iemand die betrapt werd en nu wel verplicht is tot erkenning over te gaan? Gezagsdragers willen vanaf het begin op de hoogte zijn. Dat de leiders lang zonder kennis van wat gaande was gebleven zijn, beschadigd het vertrouwen ernstig. Ook bekentenis uit angst is mogelijk. Bracht de dader de misdaad aan het licht om zelf de eerste te zijn, vóórdat het slachtoffer iets deed, en zodoende enige controle te behouden over de gang van zaken? Wilde hij de beschuldiging van het slachtoffer voor zijn en de behandeling van de klacht manipuleren en de eigen schuld verzachten? Gaat hij over tot een snelle schuldbelijdenis in hoop een snelle afhandeling te verkrijgen?

Het belang van openbaarmaking
Niemand heeft belang bij een doofpotoperatie. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Indien de klacht niet grondig aangepakt wordt, staat het slachtoffer in de kou, wordt de dader niet geholpen en wordt in de gemeente een ontzettend risico getolereerd. Minimale informatie of toedekken van het probleem draagt bij tot het gevaar van roddel en geruchten, tweedracht en het niet aanpakken van onrecht tegenover het slachtoffer, de gemeente en andere potentiële slachtoffers.
Openbaarmaking voorkomt onduidelijkheid en roddel. Het is de beste garantie voor een openlijke behandeling in het licht, zonder doofpotoperatie. Bij de informatie moet duidelijk aangegeven worden wat er mis ging (bijvoorbeeld ongewenste intimiteit in een pastoraal gesprek), maar niet gedetailleerd. Niet iedereen hoeft te weten wat er precies gebeurd is – ook ter bescherming van het slachtoffer en ter voorkoming van stigmatisatie.
Bekendmaking aan de geestelijke leiders (huidige en eventueel toekomstige) en aan eventuele mogelijke slachtoffers is absoluut noodzakelijk. De wet en de ethische code van hulpverleners ontheffen een hulpverlener van het strikte beroepsgeheim en nopen hem alle stappen te zetten die nodig zijn om het misbruik te stoppen. In het bijzonder wanneer het slachtoffer een kind is, moeten volwassenen hun stem gebruiken om voor de rechten en belangen van het kind op te komen.
Bekendmaking aan de overheid is een onderwerp op zich en mede afhankelijk van de wet van het land. In Nederland is een hulpverlener altijd verplicht om een aangifte te doen aan de overheid, maar is het niet toegestaan de dader van een misdrijf te noemen in een geloofsgemeenschap, zelfs niet met zijn toestemming. De leiding van de gemeente komt hierdoor mogelijk in een ethisch dilemma. Vindt het slachtoffer dat bekendmaking moet? Heeft het slachtoffer daarin bescherming nodig doordat anderen helpen om een aangifte te doen? Of is er voldoende veiligheid opgebouwd en een weg om de dader te helpen, waardoor het slachtoffer liever niet gestigmatiseerd wordt of geconfronteerd wordt met pijnlijke gerechtelijke procedures? Het doel van bekendmaking is een optimaal klimaat van openheid te creëren waarin gezamenlijk in het licht gewandeld kan worden, zodat ook de oplossing in het licht uitgewerkt kan worden en alle betrokkenen maximaal toegang krijgen tot de nodige geestelijke ondersteuning. Zonde in het uitoefenen van een pastorale taak in de gemeente is zonde tegen directe slachtoffers en tegen de gemeente als geheel. Belijdenis tegenover alle betrokkenen is nodig.
Een openbare behandeling is niet koud of veroordelend, maar de beste garantie voor bescherming. Het is geen afwijzing of wraak nemen, maar zorgdragen en streven naar rechtvaardigheid. De dader zal waarschijnlijk maximale discretie vragen en hen die voor openheid pleiten een gebrek aan vergevingsgezindheid en ongeestelijkheid aanwrijven. Discussies hierover kunnen scheuring veroorzaken in een leidersteam en een gezamenlijk beleid ondermijnen. De dader krijgt de kans de leiders tegen elkaar uit te spelen en een grondige eenduidige aanpak te verstoren. Om dit te voorkomen in het heetst van een discussie naar aanleiding van een probleem, is het verstandig om vóór met dit probleem geconfronteerd te worden als leidersteam een gezamenlijk standpunt in te nemen om latere onnuttige strijd en verzwakking van een grondige aanpak te voorkomen.

Onmiddellijke gevolgen van een vaststelling van schuld
Indien de counselor schuld erkent in ongewenste seksuele intimiteiten in het pastoraat moeten, ongeacht het potentieel aantal slachtoffers, zijn pastorale begeleidingen, zowel binnen als buiten de gemeente onmiddellijk stopgezet worden. Het is de taak van de oudsten om deze gang van zaken aan de confidenten van de dader mee te delen. Indien de dader er op staat dit zelf te doen (waarom? motieven?), moet dit gebeuren in aanwezigheid van een derde en met ondubbelzinnige afspraken over wat er gezegd moet worden en wat niet. Wat de dader zal zeggen, moet schriftelijk vastgelegd zijn, zodat nauwgezette controle mogelijk is en onnodige bijkomende discussies of problemen door een eigengereid handelen van de dader voorkomen worden. Schulderkenning kan reeds op dit moment, maar alleen op voorwaarde dat het voor iedereen duidelijk is dat de zaak verder behandeld moet worden, de volledige toedracht van de klacht en de gevolgen nog in onderzoek is, dat op dit moment de rechtszaak niet is afgesloten, er ook nog geen definitieve conclusies kunnen zijn en er dus ook nog geen finale schuldbelijdenis mogelijk is. Te snelle schuldbelijdenis betekent meestal dat de dader later onzorgvuldig wordt aangepakt (“Alles is toch beleden?”), dat hij te weinig oog krijgt voor de diepgang van de problematiek en latere schuldproblematiek onvoldoende uitgediept wordt, het slachtoffer uiteindelijk in de kou komt te staan, etc. 4
Alle pastorale gesprekken moeten afgezegd worden met vermelding van de reden, zoals die geformuleerd wordt door de oudstenraad. Bij het afzeggen van de pastorale afspraken van de counselor moet minimaal meegedeeld worden dat de counselor een ernstige pastorale fout gemaakt heeft waardoor hij op dit moment geen gesprekken kan voeren en het onduidelijk is of en wanneer dat opnieuw zou kunnen. Ook moet aan de confidenten meegedeeld worden welke de volgende stap in de behandeling van de klacht zal zijn en hoe ze op de hoogte gebracht zullen worden van meer details.
Dat dader en slachtoffer een andere versie van de feiten hebben maakt geen verschil in de behandeling. Feit is dat in het pastoraat een ernstige ethische fout is gemaakt die onmiddellijke schorsing tot gevolg heeft. Waarschijnlijk voelt de dader zich toch verantwoordelijk voor de voortgaande zorg voor zijn confidenten. Die zorg moet stopgezet worden. Die zorg is hem ontnomen en wordt nu waargenomen door hen onder wiens gezag hij staat. Ook belanghebbende organisaties moeten op de hoogte zijn: het bestuur van de organisatie waarin de counselor eventueel een bediening heeft, het personeel, de verantwoordelijken van de thuisgemeente indien de counselor een zendeling is, etcetera. Elke organisatie waarin de counselor zijn pastorale gave inzet, of aan wie geestelijke verantwoording verschuldigd is, wordt geïnformeerd.

Informatieverstrekking aan de partner en zijn gezin
Het informeren van de partner kan eerst door de dader gebeuren. Alles moet aan het licht gebracht worden en algemeen, maar duidelijk benoemd worden. De partner moet in dit stadium op de hoogte gebracht worden van alle vormen van misbruik of eventueel andere recente en vroegere seksuele ontsporingen. Het geven van pijnlijke details moet niet op initiatief van de dader gebeuren, maar alle vragen van de partner (ook over details) moeten concreet beantwoord worden, zowel nu als in een later stadium. Halve informatie veroorzaakt extra vertrouwenscrisissen later. Angst om de partner te verliezen bij het geven van details is een slechte raadgever. Indien de dader zijn partner geïnformeerd heeft zonder aanwezigheid van de leiders van de gemeente, moet de gegeven informatie nadien door de leiders gecontroleerd worden. Ook de partner heeft recht op inzicht in het gemeentebeleid op betrokkenheid bij de behandelingsprocedure. In overleg met de dader en de partner moet ook aandacht besteed worden aan de kinderen. Afhankelijk van hun leeftijd zullen verschillende initiatieven nodig zijn. Zij worden medeslachtoffer van de ontwikkelingen in het huwelijk van hun ouders en in de gemeente. Wie draagt zorg voor hen?

Informatieverstrekking aan de gemeente
Een belangrijke factor in de informatieverstrekking is het voorkomen en vermijden van risico’s bij eventuele andere slachtoffers, ook als de dader ontkent dat er andere slachtoffers zijn. Indien iemand in de fout gaat vanuit een pastorale verantwoordelijkheid in de gemeente, in het kader van zijn ambt, moet - hoe pijnlijk het ook is - de gehele gemeente op de hoogte gebracht worden. Er is immers schuld opgebouwd tegenover de gehele gemeente. Het is nodig dat iedereen die potentieel slachtoffer is gesteund wordt en de kans krijgt om eventuele feiten kenbaar te maken. Informatieverstrekking en openbaarmaking kunnen de volgende elementen bevatten:
De ernst van de zonde, uitgevoerd in een pastorale functie, niet bedekken maar openbaar benoemen en aanpakken. Informatieverstrekking over de klacht gebeurt in onomwonden bewoordingen, maar zonder onnodige details. Er wordt zo weinig mogelijk informatie gegeven, maar zoveel als nodig is om de ernst van de zaak te omschrijven;
Het geven van de gelegenheid om problemen te signaleren (niet op de vergadering zelf, maar aangeven welke weg bewandeld moet worden om dit te doen);
Informeren dat de (pastorale) verantwoordelijkheden van de counselor beëindigd zijn en het zoeken en aanbieden van alternatieven;
Roddel door onduidelijkheid voorkomen. De gemeenteleden te vragen geen onnodige en niet-opbouwende commentaar te geven of te speculeren. Dit betekent niet een verbod om er samen over te praten;
Oproep voor gebed om herstel, maar met de duidelijkheid dat zonde enerzijds vergeven kan worden, maar anderzijds ook gevolgen heeft;
Uitleg van de vervolgprocedure: wie leidt de behandeling van de klacht; wat is de volgende stap; wordt de gemeente nog betrokken?; wordt een extern waarnemer of adviseur aangesteld die inzagerecht krijgt in het beleid dat de oudsten voeren? Hoe wordt de gemeente op de hoogte gehouden van de procedure en van de beëindiging ervan? Etcetera;
Het geven van gelegenheid voor gezamenlijk gesprekken en verwerking van wat gebeurd is, de gevoelens die men daarbij heeft.

Reactiepatronen in de gemeente
Gemeenteleden kunnen waarschijnlijk niet omgaan met de problematiek. Een aantal die in het verleden geholpen zijn door de counselor zullen hem beschermen en idealiseren. Zodoende verliest in hun ogen de gemaakte fout zware schuld en wordt ze hanteerbaarder. In naam van de liefde (terecht) wordt de kaart van vergeving getrokken (terecht) en wordt onrechtvaardigheid geminimaliseerd (onterecht!). De dader wordt slachtoffer omdat men medelijden heeft met een harde en openbare aanpak. Het slachtoffer wordt dader-veroorzaker van al deze openlijke beschuldigingen en mededader als vermeende verleider. Een andere reden waarom gemeenteleden de zaak liever willen bedekken kan angst voor zichzelf en hun geloofsweg zijn. Schaamte, collectief schuldgevoel, boosheid, vertwijfeling, ontgoocheling, zich verraden voelen en verdriet zijn symptomen die ernstig genomen moeten worden. Indien de dader, die een geestelijk voorbeeld was, een dergelijke zonde begaat, welke garanties zijn er dan dat zij als gewone gelovigen de geestelijke wedloop ten einde zullen brengen? Biedt de weg van het geloof dan toch geen garanties voor de toekomst? Men kan met ontkenning reageren omdat men niet met de neus op het feit gedrukt wil worden dat men deel heeft aan een pijnlijke werkelijkheid. Wie niet meegaat in de ontkenning wordt veroordeeld voor gebrek aan barmhartigheid. Slachtoffers en gemeenteleden die voorstander zijn van een harde aanpak kunnen kampen met schuldgevoelens voor hun onvermogen de zaak snel te vergeven en te vergeten.
Ook een afrekening met de pastor is mogelijk. Zijn tegenstanders kunnen in de feiten bewijzen zien voor hun vroegere twijfel en tegenstand tegen de pastor en proberen nu voordeel te halen ten gunste van hun belangen. Ook zij die vroeger geholpen zijn kunnen zich zodanig gekwetst voelen dat hun aanhankelijkheid aan de pastor omslaat in woede. Sommige gemeenteleden gaan door een gelijkaardig proces alsof ze zelf misbruikt zijn. Ze hebben zichzelf geopend tijdens pastorale gesprekken en merken nu dat de betrokken counselor het vertrouwen bij anderen beschaamd heeft. Dit veroorzaakt een vertrouwenscrisis en een beschadigings-ervaring bij henzelf (‘Dit had mij kunnen overkomen.’ ‘Aan wat ik van die man heb wil ik niet meer herinnerd worden.’). Gemeenteleden zullen ook twijfels koesteren tegenover de leiding: Waarom hebben ze dit niet gezien? Waarom doen ze niets? Waarom zijn ze zo streng? Of zo zacht? Zijn ze wel bekwaam en betrouwbaar? Waarom hebben ze niets opgemerkt indien hun geestelijk leven in orde is? En als ze al iets opgemerkt hadden, waarom hebben ze niet sneller ingegrepen? Het kan nuttig zijn ook contact op te nemen met de vroegere werkplaatsen van de counselor. Dan kan er nagegaan worden of er eventueel een voorgeschiedenis is, of vroeger zorg werd besteed aan het probleem, etcetera.

Pastorale hulp aan het slachtoffer
Een slachtoffer geeft zich moeilijk aan een nieuwe pastor. Geschonden vertrouwen herstelt moeizaam. Een counselor van hetzelfde geslacht is daarom aan te bevelen. Dit artikel behandelt de problematieken van het begeleiden van slachtoffers van ongewenst seksueel gedrag niet, maar het is vanzelfsprekend dat de persoon die de partner begeleid kennis en ervaring moet hebben van een dergelijke begeleiding. Mogelijk moet de gemeente tussenkomen in de financiële kosten van het pastoraat. Het werkt genezend het slachtoffer te betrekken in de afspraken met de dader. De stem van het slachtoffer moet gehoord worden, niet uitgesloten. Betrokkenheid van het slachtoffer bij de procedure, voor zover deze dit wenst, werkt erkennend. Het slachtoffer moet in de gemeente niet doodgezwegen worden, maar gepaste aandacht en bemoediging ontvangen. Slachtoffers mogen niet geëtiketteerd worden als zwak, maar als mensen die een moedige stap gezet hebben. Positieve bevestiging bouwt mee aan een positief zelfbeeld .

Pastorale hulp aan de partner
De partner van de dader komt in een grote crisis terecht. Wie schenkt daar aandacht aan? De reactie van de partner kan enerzijds massale agressie naar de dader toe zijn, omwille van het gepleegde onrecht en de schade aan het huwelijk. Wordt aan echtscheiding gedacht of staat men open voor verzoening? Wat zijn de gevolgen voor het huwelijk?
De partner kan de dader ook verdedigen en beschermen. In dat geval wordt de misdaad geminimaliseerd. Door het laag houden van de schuld, doet het voor de partner minder pijn. Ontkenning is een mechanisme dat het eigen verdriet binnen hanteerbare grenzen houdt. Ook wordt de bedreigende vraag naar het eigen aandeel in het mogelijk falen als huwelijkspartner afgehouden, of extreem benadrukt. De partner krijgt deel aan de stigmatisatie en wordt eveneens in een slachtofferrol (‘wat erg om met die man getrouwd te moeten zijn’) of in een daderrol (‘indien zij een goede vrouw was zou die man nergens anders gezocht hebben’) gedrongen. Noch partner, noch dader zijn gediend met minimaliseren, omdat een wezenlijke aanpak van het probleem zo wordt tegengehouden .

Pastorale hulp aan de dader
Aan de dader kan best hulp geboden worden door een neutrale externe instelling of persoon. Het is voor de oudsten onmogelijk tegelijkertijd rechter en herder te zijn. Dit is een onverenigbaarheid van rollen. Desnoods kan in het team van oudsten iemand afgezonderd worden voor het pastoraat, maar die persoon kan dan geen betrokkenheid meer hebben bij de gemeentelijke rechtszaak. Diegenen die de klacht behandelen kunnen initiatief nemen om in de gemeente de noodzaak van geestelijke bescherming en van geestelijke verzorging te communiceren. Zij kunnen de dader stimuleren een geestelijk kader te scheppen van mensen die op de hoogte zijn en hem kunnen bijstaan.5

Pastorale hulp aan de gemeente
In de gemeente wordt het probleem en de gevolgen ervan best bespreekbaar gemaakt. Een gespreksavond, informatie over rouwverwerking na geschokt vertrouwen en gelegenheid voor pastorale gesprekken, zowel individueel als collectief, helpen. Misbruik van vertrouwen en schade aan de geloofsbeleving kan besproken worden. Nazorg aan de gemeente kan bestaan uit:
- momenten creëren waarin uiting gegeven kan worden aan emoties en vragen, zonder deze te veroordelen;
- onderwijs over het verwerken van een rouwproces, omgaan met emoties, gezonde seksuele grenzen, gezonde seksualiteit, etcetera;
- het geven van informatie over wijzigingen die in de structuur van het pastoraat of de gemeente aangebracht zullen worden; hoe gewerkt zal worden aan preventie van seksueel misbruik;
- het aanbieden van persoonlijk pastoraat;
- een moment waarop vergeving en verzoening wordt uitgesproken, maar zonder dat de dader aanspraak kan maken op terugkeer in zijn functie.
Niet elk gemeentelid heeft dit allemaal nodig, zodat eventueel deelgroepen of bepaalde individuen apart benaderd kunnen worden. De gemeente moet ook niet uitsluitend op het misbruik gefocust worden. Zorg voor balans in het onderwijs en laat zoveel mogelijk activiteiten in de gemeente ‘gewoon’ doorgaan. De gemeente moet verder geleid worden in een proces waarin een goede balans bewaard wordt tussen boosheid en vergevingsgezindheid, negatieve en positieve zaken in de gemeente, noden van een individueel en van de gemeente als geheel, omgaan met het verleden en bouwen aan de toekomst.

Schuld belijden door de dader
De dader krijgt de kans om in het openbaar schuld te belijden, aangezien zijn zonde gebeurde in het uitoefenen van een openbaar ambt en openbare gevolgen heeft. Goed overleg over inhoud van de schuldbekentenis is noodzakelijk. De veiligste weg is een schriftelijke formulering die vooraf door dader en leiders is goedgekeurd. Ook het slachtoffer moet deze formulering zien zitten. Het is een belangrijk principe het slachtoffer, indien deze dit op prijs stelt, van alle stappen in de behandelingsprocedure vooraf op de hoogte te brengen en zo mogelijk alle besluiten en toekomstige stappen te overleggen.
Er moet absoluut voorkomen worden dat de dader door zijn visie op de misstap in zijn bekentenis de gemeente opnieuw manipuleert, door bijvoorbeeld vergeving te vragen (begrijp: als vanzelfsprekend herstel te eisen), te danken voor een nieuwe kans (begrijp: de gemeente dwingen hem in zijn positie te houden), etcetera. Het gaat hier om een schuldbelijdenis, zonder uitdrukking van verwachting van tegenprestatie van de gemeente. Het is mogelijk dat bij de belijdenis de dader in een slachtofferrol kruipt (Ik kon er niets aan doen; dit is mij overkomen; zij heeft mij verleid.). Hij kan ook als vanzelfsprekend beroep doen op een ‘recht’ op vergeving, in plaats van het tonen van diepe verbrokenheid met een besef van verlorenheid. Het minimaliseren van de zonde en het ‘versnellen’ van de vergeving om alles snel achter zich te laten doet geen recht aan de klacht van het slachtoffer, onderschat de gevolgen bij de groep en biedt de dader geen gelegenheid om tot werkelijk inzicht te komen.4
De ervaring ‘dit is mij haast onbewust overkomen’, betekent minstens dat er een ernstig gebrek aan geestelijk inzicht een rol speelde. Het is volgens 1 Kor. 10:13 onmogelijk dat iemand in een bovenmenselijke verzoeking terechtkomt. Daarom is het ontzettend belangrijk dat de dader voor zichzelf ontdekt wat en hoe het fout is gegaan. Welke garanties zijn er dat dit hem niet opnieuw overkomt? En als het op seksueel vlak verkeerd loopt, zijn er dan ook andere gebieden in zijn leven die onder gevaar staan? Welk geestelijk overspel heeft zich in zijn leven ontwikkeld, voordat dit zijn uitdrukking vond in seksueel grensoverschrijdend gedrag? En wat brengt dit alles teweeg in de huwelijksrelatie? Etcetera. Grensoverschrijding op seksueel vlak komt niet vanzelf. Er gaat een geschiedenis vooraf. Wie beweert dat dit hem plots overkomen is en verrast reageert heeft niet in de gaten wat er gaande is geweest. Misschien is de dader zich niet van bewust van de diepgang van de misdaad door alle mechanismen die schuld bedekken en de pijn verminderd. Misschien probeert de dader zijn gedrag zó uit te leggen dat hij nog een redelijk positief zelfbeeld kan behouden. Hoe het ook is, er is wel degelijk een vooropgezet plan dat uitgemond is in de zonde. De voorgeschiedenis moet dus onderzocht worden. Ontkenning en minimalisering, afbakening (dit is het enige; er is nooit iets geweest), rationalisering, etcetera, mogen een diepgaand onderzoek niet in de weg staan.

Schuldbelijdenis door de gemeenteleiding
Indien een grensoverschrijdende zonde op seksueel vlak heeft plaatsgevonden, moeten de leiders beleidsverantwoordelijkheid opnemen, ook als ze zelf geen laakbare handelingen gesteld hebben. Zij zijn niet in staat geweest de pastorale taak van de dader adequaat te volgen. Men kan zich afvragen of er in de opleiding van de pastor voldoende begeleiding geven is? Was er intervisie, supervisie of collegiaal overleg? Zijn er onvolkomenheden in de structuur van de gemeente of organisatie die dit mede mogelijk hebben gemaakt? Men is in elk geval samen betrokken in een geheel van geestelijke relaties waarin de zonde ingang heeft gevonden. Vooral in het Oude Testament zijn voorbeelden te vinden van het opnemen van de collectieve verantwoordelijkheid. Vele profeten belijden de schuld van het volk, alsof ze daar zelf deel aan hebben. Deze belijdenis moet zowel tegenover het slachtoffer als tegenover de gemeente gebeuren.

Vergeving
Bij oprecht berouw, dat verder gaat dan spijt voor de gevolgen, moet vergeving geschonken worden. Daarmee is de zaak echter niet achter de rug. Nu begint het pas. Kiezen voor vergeving is één zaak. Daardoor wordt de zaak aan God, die rechtvaardig zal vergelden, overgelaten. Wie vergeeft wordt bevrijd van het zoeken naar rechtvaardiging voor zichzelf en is bereid te leven met de gevolgen van de zonde van een ander. Maar ook vergeven zonden hebben gevolgen. Die gevolgen zijn na de openbaarmaking van misbruik nog in onderzoek. Wat wil men vergeven? Wat zijn de gevolgen? De vergeving moet verder uitgewerkt worden in een langdurig en pijnlijk proces. Vergeving strekt zich uit naar verzoening. Alhoewel volledig herstel het doel moet zijn, is dit in deze gebroken wereld niet altijd haalbaar. Sommige dingen worden nooit hersteld. Compleet herstel is in dergelijke zaken meestal onmogelijk. Men moet dan zo goed mogelijk leren leven met de pijn en de littekens uit het verleden.
Vermaning in het openbaar, zodat de anderen ontzag hebben (1 Tim. 5:20), is zeer gepast, ook in een proces van vergeving. Het ernstig aanpakken van de gevolgen moet zowel voor de dader als voor de gemeente het nodige ontzag inboezemen. Ook indien de weg van vergeving bewandeld wordt, komen nog veel vragen aan de orde (bijvoorbeeld: kan de counselor zijn taak terug opnemen? Welke schadevergoeding kan plaatsvinden? Welke stappen moet hij zetten om vertrouwen te herstellen en is dit nog wel mogelijk? Heeft de counselors begrip voor het feit dat gemeenteleden door de zaak geen vertrouwen meer kunnen schenken, of bewijst hij door zijn onbegrip dat hij opnieuw niet in staat is zich in te leven in de wereld van zijn slachtoffers, en dus mogelijk opnieuw grenzen overschrijdt…? Etcetera).

Enkele gevolgen op korte termijn
Een eerste gevolg kan een tijdelijke schorsing of het onmiddellijk beëindigen van het arbeidscontract zijn. De counselor wordt verzocht geen pastorale taken meer uit te voeren. Wat wel zou kunnen is dat hem een praktische of administratieve taak wordt toevertrouwd. Dit kan uitsluitend indien dit gebeurt in een context waarin anderen geen aanstoot nemen of zich niet bedreigd voelen. De aanpak hangt af van de zonde, de omstandigheden, de draagkracht van de gemeente of de collega’s, de mogelijke positieve impact van een schoring of een toestemming om administratief toch zinvol bezig te blijven, de gevolgen voor het gezin van het slachtoffer, etc. In een eerste fase moet de dader zijn verantwoordelijkheid neerleggen, zelfs indien volledige bekentenissen en volkomen berouw aanwezig zijn. Het ontnemen van de geestelijke verantwoordelijkheid is niet noodzakelijk een uiting van wantrouwen, maar een geestelijke bescherming. Dit is moeilijk voor solovliegers, sterke leiders die zonder correctie van anderen hun leiding uitoefenden en desnoods opdrongen. De bereidheid om op lange termijn de geestelijke verantwoordelijkheid af te leggen en geen eis op herstel te doen gelden, is een goed teken van het opnemen van verantwoording voor het gebeuren.
Vergeving betekent niet dat de dader nadien kan doorgaan zoals vroeger. Ook een man als David moest eerst de gevolgen van zijn overspel en moord dragen. Alhoewel God hem had vergeven, moest zijn zoon sterven (2 Samuël 12:13-14). God heeft hem wel behouden in zijn koninklijke roeping. Belijdenis gevolgd door vergeving moet uitgewerkt worden in herstel, schuldbetaling, gevolgen dragen, etcetera. Een eenzijdig visie op vergeving als onmiddellijk afgehandelde zaak nadat ze wordt uitgesproken is onvoldoende om geestelijk verder te kunnen. Een bijkomend gevaar bij ‘snelle vergeving’ is dat het slachtoffer in een schuldpositie terecht komt doordat deze niet snel kan vergeven of liefhebben ‘zoals het hoort’. Dit geeft de dader opnieuw de teugels. Hij bepaalt dan de procedure in plaats van dat hij ze zelf moet volgen. Zo blijft zijn macht intact. In overleg met het slachtoffer kan nagegaan worden welke stappen de dader op korte termijn kan zetten om zoveel mogelijk aan herstel mee te werken. Wenst het slachtoffer een persoonlijke schuldbekentenis? En hoe moet dit dan (schriftelijk; persoonlijk in aanwezigheid van een derde)? Is de dader bereid eventuele honoraria voor verstrekte pastorale zorg terug te betalen, en is dit gewenst door het slachtoffer?

Enkele gevolgen op lange termijn
Het is nodig de dader te stimuleren een geestelijk kader te scheppen van mensen die op de hoogte zijn en daardoor ook geestelijk kunnen bijstaan. Concreet moet hij tegenover de leiders van een eventueel nieuwe gemeente openheid van zaken geven en moet hen de gelegenheid gegeven worden te overleggen. De dader mag geen enkele bediening aannemen of uitoefenen zonder dieper te gaan in het oplossen van de geslagen wonden en zonder de nodige geestelijke bescherming van hen onder wiens geestelijke leiding men staat. De dader moet in elk geval een langdurige begeleiding ontvangen. Dadertherapie is essentieel om het inzicht van de dader in zichzelf en de mechanismen die het misbruik mogelijk gemaakt hebben te exploreren en in de toekomst te leren hanteren. De dader moet inzicht verwerven in hoe de zonde zich genesteld heeft (hoe heeft het zover kunnen komen? Welke zijn de geestelijk, psychische en sociale factoren die een rol gespeeld hebben); hoe hij dit negatief proces in de toekomst kan voorkomen; hoe hij zich kan oefenen in inlevingsvermogen in het leven van anderen en van de gevolgen van zijn handelen; hoe overdracht en tegenoverdracht functioneert in (pastorale) relaties, etcetera. Een dergelijke intensieve begeleiding moet minimaal een jaar duren, maar heeft in de praktijk vaak drie en soms vijf jaar nodig. Hierbij moet ook aandacht besteed worden aan huwelijkspastoraat en herstel en versterking van de relatie met de partner. Blijvende levenslange supervisie op een eventueel nog uit te oefenen bediening is geen luxe, maar noodzaak.
Herstel voor de bediening is mogelijk, maar kan niet afgedwongen worden. Een christelijk werker moet onbesproken zijn. Hij moet voldoen aan de kenmerken die gelden voor oudsten (1 Tim. 3:2, Tit. 1:6). Een ernstige ethische misstap kan het einde betekenen van iemands bediening. Herstel hangt niet uitsluitend van het berouw van de dader af, maar ook van de wijze waarop de gemeenschap hem ziet en in staat is of bereid is hem als ‘onbesproken’ te zien. Persoonlijk geestelijk herstel is mogelijk en in de gemeente ook een vereiste (Gal. 6-1-2). Toch betekent dit niet noodzakelijk herstel in de functie. Functioneel herstel is niet verboden, maar moet zich wel bewezen hebben. Denk aan David: hij is hersteld, maar moest eerst de gevolgen gedragen. Bedenk ook dat zijn gezag wereldlijk, politiek en militair was. Het geestelijk gezag hoorde niet bij de koning. Het is niet vanzelfsprekend dat iemand die in ernstige seksuele zonde valt nadien toch geestelijk gezag kan blijven dragen. In elk geval zal de dader een lange periode nodig hebben waarin hij herstel in zijn geestelijk leven, met openbaar zichtbare positieve gevolgen voor zijn karakter en relaties ten toon moet spreiden. Pas dan kan er misschien opnieuw sprake zijn van ‘onbesproken zijn’.
Ook de gemeenteleiding moet zich bezinnen over haar functioneren. Wat moet er veranderd worden om beter toe te zien op elkaar? Is een wijziging van de structuren nodig? Moeten er andere afspraken komen over het functioneren van het pastoraat (bijvoorbeeld: geen personen begeleiden van het andere geslacht), over de plaats en het belang van supervisie (bijvoorbeeld: iedereen moet onder beschermend gezag staan en regelmatig verantwoording afleggen). Is er openheid in de gemeente en een door iedereen gekende procedure om klachten op een niet-bedreigende wijze te behandelen? Etcetera. De begeleiding van daders van seksueel wordt in dit tijdschrift tijdens de jaargang 2001 behandeld.

EINDNOOT
1 Zie D. Lemmens en J. De Vriese, Tijdschrift voor Theologie en Pastorale Counseling, 4 e jaargang, nr. 13, p. 42 e.v..
2 Zie voor een uitgebreide behandeling van het onderscheid tussen de schuldvraag en het vaststellen van schuld het hoofdstuk over schuld en schuldgevoelens in J. De Vriese, W. Barrett & D. Lemmens, Actuele problemen in het licht van de Bijbel, Gideon/CPC, 1988, p.58-82
3 Zie D. Lemmens, Als al de rest gefaald heeft. In TijdSchrift. Magazine voor pastoraat, gezin en gemeenteopbouw, 2000, nr. 46 p. 4-8 en nr. 47 p. 4-13.
4 Te snelle schuldbelijdenis is de grootste valkuil in het pastoraat. Dit thema wordt in een later nummer van TijdSchrift behandeld door Dr. J.C. Borst.
5 Zie in een volgend nummer van TijdSchrift het artikel ‘De man met twee gezichten’ van Dr. J.C. Borst.

Boeken
J.C. Borst. Verraden vertrouwen. Pastoraat aan incestdaders en –slachtoffers. Groen, Leiden, 1996
G. Dam en M. Eitjes, Een pastor moet je toch kunnen vertrouwen! Over seksueel misbruik door pastores. Meinema, Zoetermeer, 1994
R. Ganzevoort en A. Veerman, Geschonden lichaam. Pastorale gids voor gemeenten die geconfronteerd worden met seksueel geweld. Boekencentrum, 2000
Harry W. Schaumburg. False intimacy. Understanding the struggle of sexual addiction, Navpress, Colorado Springs, 1997

Oorspronkelijk verschenen in Tijdschrift voor Theologie en Pastorale Counseling, 11de jaargang, 4de kwartaal 2000/01, nr 48, 18-29. Centrum voor Pastorale Counseling v.z.w.

Top!

 

 

Samen op de sofa

Gespreksthema's
voor echtparen


Meer info

Recent geplaatst

17/11/17 - Bijbels dagboek week 47
11/11/17 - Bijbels dagboek week 46
11/05/11 - Gedicht 'Lijden'
01/12/16 - Lied 'Vertrouw op de HEERE'

Het Laatste Woord

Counselors die geen kader hebben waarin ze verantwoording afleggen staan zwak.

Blijf op de hoogte!

Volg ons op FacebookaVolg ons op TwitteraLinkedIna luister op SoundClouda podcast op iTunes  

 

Copyright www.devriese.eu. All Rights Reserved

Bijbels Dagboek - Gedichten en Muziek - Vragen - Echtscheiding en Hertrouwen - Geestelijk leven - Gemeente - Gebed - God - Huwelijk - Leiderschap - Lijden -
Opvoeding - Pastoraat - Pastorale Counseling - Postmodernisme - Relaties - Samen op de sofa - Seksualiteit - Vergeving - Vrouw